was dat oom Eli naar hem was komen luisteren.
De dienst ging verder. Het ogenblik naderde dat de Thorarol uit de Arke zou worden genomen om te worden gelezen. Dit is een heilige handeling en volgens het gebruik wordt hiervoor de man aangewezen die men op deze sabbatdag eer wil bewijzen. De vader die zijn zoon tot de kennis der Leer heeft doen opvoeden, behoort te worden geëerd en de Voorlezer had dus voor de dienst aanving al aan mijnheer Godschalk meegedeeld, dat hij zich klaar had te houden om op het juiste ogenblik de heilige handeling te verrichten.
Nu stond mijnheer Godschalk op en trok zijn talith recht. Hij stapte voorbij Henri en wilde langs slager Apfelbaum schuiven, want hij moest zich voorzichtig tussen al de biddende mensen uit de bank werken.
Maar voorbij Henri’s knieën bleef mijnheer Godschalk staan, hij kwam niet verder. Henri begreep er niets van, hij keek uit van achter zijn vaders rug en opeens schoot een brok van schrik door zijn keel. Slager Apfelbaum had zijn been vooruitgestoken in de bank en deed of hij niet zag dat er iemand voorbijwilde. Hij zat te bladeren in zijn gebedenboek en neuriede zachtjes mee met de Gazzan. ‘Pardon,’ zei mijnheer Godschalk en duwde voorzichtig tegen het been.
Het bleef waar het was, dwars gestrekt door de bank. Henri zag de nek van zijn vader stijf worden.
‘Mijnheer Apfelbaum,’ waarschuwde zijn vader met gedempte stem en tikte op de schouder van de slager. Die bewoog zich niet.
De buren keken plotseling geïnteresseerd. Op de verhoging stonden de rabbijnen nog onverschillig te wachten, maar de ordebewaarder zag op en kwam naar de bank toe.
‘Kan ik even passeren?’ vroeg mijnheer Godschalk met halfluide stem, nog altijd correct, hoewel hij geelbleek werd. Henri zag dat een spiertje boven zijn vaders kaak vreemd ging trillen.
‘Nee!’ zei slager Apfelbaum over zijn schouder. Ook zijn gezicht werd anders, het zweette en zag vuurrood.
‘U bent onhebbelijk,’ zei mijnheer Godschalk.
‘Je mintenee zal je bedoelen!’ gromde de slager. Mijnheer Godschalk kneep zijn handen tot vuisten. Op het Almemmor waren de rabbijnen oplettend geworden, een kerkbestuurder verhief zich in volle waarschuwende lengte. Rondom in de banken maakten de kerkbezoekers verontwaardigde gebaren en tonggeluiden.
‘Wat is hier aan de hand?’ fluisterde de ordebewaarder. ‘Mijnheer Godschalk, loopt u toch door, er wordt op u gewacht.’
Slager Apfelbaum stak ook zijn tweede been vooruit. ‘Je komt er niet door, spekvreter. Jij blijft met je treife handen van de thora af.’
113