Henri van de overkant

Titel
Henri van de overkant

Jaar
1936

Druk
1963

Overig
5ed 1963

Pagina's
255



derweg geen enkele keer toeknikte.

De mensen die kwamen aanwandelen op het plein voor de kerk, groetten naar Henri en zijn vader. - Anders dan vroeger - dacht de jongen, - een beetje te stijf. - Maar zijn vader nam even correct de hoed af als altijd.

Terwijl Henri de stoep opliep, probeerde hij of hij van binnen erg bang was, maar tot zijn opluchting voelde hij niets dat daarop leek. Hij kende zijn parsje heel goed, dat wist hij, want de oude gazzan Polak had het zelf gezegd toen hij voorlajende in de Stichting. En nu hij de vertaling kende van de Hebreeuwse tekst, vond hij het zelfs prettig om die te mogen voordragen, want het was een samenspraak tussen God en Abraham, die allebei de stad Sodom zo graag wilden redden en het ook zouden hebben gedaan als het had gekund. Er stond nergens dat God zich wreken wilde, zoals op andere plaatsen in de Thora, er stond duidelijk dat de stad gered zou worden, al waren er maar tien rechtvaardigen. En men kon begrijpen dat God en Abraham allebei een zwaar verdriet hadden gehad omdat er zelfs geen tien rechtvaardigen in de stad te vinden waren. Als Henri, voor hij ’s avonds slapen ging, wel eens over de tekst lag te denken, had hij erg veel medelijden met Abraham, maar vooral met God, die vuur moest laten regenen op een stad met levende mensen. Al was dat dan ook voor het bestwil van de andere mensen in het land.

De sjoeldeur flapte achter hen dicht, nu stonden ze in de grote vierkante Neie Sjoel waar het grijze daglicht onder de zoldering bleef hangen tussen de boogramen. Ze schoven dadelijk de bank in naar hun eigen plaats. De mensen van hun rij keken vriendelijk naar Henri en zeiden wat tegen hem als hij voorbijging, want men kon duidelijk zien dat hij barmitswe was, aan zijn hoed en zwart pakje en aan de nieuwe mooie talithzak onder zijn arm.

Hij schoof voorbij mijnheer Bolle, de deftige advocaat, voorbij mijnheer Pauw, de oude dove apotheker en toen langs mijnheer Apfelbaum die slager was. Mijnheer Apfelbaum knikte hem druk en vriendschappelijk toe. Mijnheer Apfelbaum was altijd druk en vriendschappelijk, want vanwege zijn zaak moest hij op goede voet staan met allerhande mensen: met de veekopers en met de keurmeester van het Rabbinaat en met de bijdehante vrouwen die inkochten voor hun gezinnen. Hij was de lawaaiigste man die Henri kende; als hij des morgens bezig was achter zijn bank in de Vleeshal, schreeuwde zijn stem boven alle andere slagersstemmen uit. Henri was vaak met Stina meegeweest voor een boodschap in de Hal en had het altijd een beetje eng gevonden als die luidruchtige man in zijn bebloede slagersjas luide grove woorden riep naar zijn

110

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.