las hij daar: ‘2 Augustus 1831, Voorwaarts’* Dit was een beetje grappig, want hij had uit zijn geschiedenisboekje al lang begrepen dat de Tiendaagse Veldtocht niet anders was geweest dan een krijgshaftige wandeltocht, die men niet kon vergelijken met een echte oorlog zoals Tromp en De Ruyter hadden gevoerd.
Maar toen hij aan de achterzijde de laatste leus las: ‘Tot opwekking van tijdgenoot en nageslacht’, begreep hij meteen waarvoor Naatje diende. Ze was ook een soort vlaggemast, waaraan de mensen vroeger eens een paar mooigemaakte daden te kijk hadden gehangen. Het grote stenen monument was net zo goed een vertoning, natuurlijk, de mensen wilden wel eens iets maken dat groter leek dan de gewone dingen.
Hij haalde zijn schouders op en stak de Vijgendam over. Er was veel meer flauwe kul in de wereld dan hij ooit had gedacht. Dat was natuurlijk jammer, maar men hoefde er niet verdrietig om te zijn, het kon best nog eens anders worden.
Eerst toen hij merkte dat ook zijn Barmitswo een soort vertoning was, kreeg hij verdriet om de mensen en de wereld.
Zijn Barmitswo viel op een novembers grijze, druilerige zaterdagochtend. De jongen liep naast zijn vader over de glimmende keien, samen onder één paraplu. Hij had zijn talithzak onder zijn arm, daarin lag het talith van oom Eli en het gebedenboek van zijn moeder. Hij voelde het prettig onder zijn arm en in zijn hand, want de zak was gemaakt uit een mooi zacht stuk brokaatfluweel, de kleur was diep koningsblauw. Hij had dat zelf uitgezocht tussen de antieke lappen en Sellie had het ’s avonds in de keuken voor hem zitten naaien. Zijn moeders gebedenboekje was gebonden in kalfsleer met een gouden slootje en het wollen talith had een zacht ivoorwitte tint, de zak en de inhoud pasten bij elkaar.
Hij keek omhoog naar zijn vader, want hij wilde graag dat die hem zou toeknikken, zoals vroeger, wanneer ze samen naar de synagoge gingen. De laatste tijd was dat nooit meer voorgekomen omdat pa sinds zijn huwelijk niet meer in sjoel was geweest, - als Henri nu nog weleens ging, hoewel niemand zei dat het hoefde, haalde hij eerst oom Eli af. Maar vanmorgen liep hij weer naast zijn vader, dat was toch echter, hij keek omhoog onder de paraplu naar het bekende gezicht met de zwartzijden hoed en was blij dat alles weer eens net zo was als vroeger. Maar hij kon toch niet helemaal vergeten, dat het alleen zo was voor deze ene barmitswe-dag en het verwonderde hem eigenlijk niet dat zijn vader hem on
109