drongen tussen rijen mensen op het Kurhausterras, waar het rook naar parfum en koffie, en zag draaiende vuurwerkzonnen en een groen-met-rode vuurclown die buitelend en knallend uiteenspatte, en ook dat was iets waarnaar men kijken moest.
Soms stond hij lang op zijn zandberg in de vloed en voelde hoe de scholeksters, neerglijdend, hun wieken vouwden, of staarde aandachtig omhoog in de zilverbezoomde pennen van een planerende meeuw, die tegen de blauwe lucht daalde en rees op doorschijnende vlerken. Maar een andere morgen plaste hij met madame Pion en tante Julie door de golven van het bain-mixte en mocht meedoen met de grappige zeespelletjes van haar en haar kennissen, een balspel bijvoorbeeld, dat hij heel aardig vond hoewel hij meestal werd overgeslagen.
Als zijn vader niet naar Amsterdam moest, baadde die ook wel eens mee, maar dan was alles veel minder vrolijk. Henri wist wel waarom, - zijn vader hield niet van de bains-mixtes, die in Scheveningen ook eigenlijk niet netjes werden gevonden. Bij het damesbad liep steeds een agent en zei: ‘doorlopen, heren!’ maar voor de bains-mixtes stond het hele strand te kijken. En eigenlijk vond Henri het zelf ook wel een beetje raar om madame Pion en tante Julie in hun natte badpakken te zien alsof ze naakt waren. Maar als men niet bedacht dat het raar was, kon men veel plezier hebben. Dan danste hij hand aan hand met tante Julie door de golven of leerde haar drijven op haar rug. Hij was al wat groter dan zij en kon haar helpen omhoogspringen als de grote golven over haar sloegen. Maar het gebeurde niet vaak dat ze met hun beiden baadden, meestal waren er direct kennissen die in het bad naar haar toekwamen.
Al die zes weken in Scheveningen bleven druk, het was nooit het echte buitenzijn, als op de dag toen hij met Stina en haar vrijer mee had mogen rijden, de weiden van Noord-Holland in. Er waren altijd dingen die ongevraagd voorbij zijn ogen kwamen en die hij moest zien. Heren en dames, die paardreden voorbij de badstoelen, en visserspinken vol met lichtgeklede badgasten die werden in- en uitgeladen, fotografen die hun toestel neerzetten voor tante Julie en muzikanten die bliezen tot ze geld kregen. Ook werd er midden in de zee druk gewerkt aan iets dat een wandelpier moest worden, zoals madame Pion al in Ostende had gezien. ‘Het volgend jaar, als de pier er is, zal het hier amusanter worden,’ had ze gezegd maar Henri vond het nu al jammer dat de zee niet meer helemaal echt breed kon zijn, door de streep pijlers die dwars op de kust stond.
Zelfs ’s nachts als hij wel eens wakker lag te luisteren naar het
105