bij me, wilt u eens zien?’ Hij trok zijn kleine jongensportefeuille uit zijn broekzak, de vijf grijze hoofden bogen zich over het blaadje en gazzan Polak zette dadelijk in. Half zingend, half lezend naar de vereiste toonval, reciteerde hij het hoofdstuk uit Genesis, dat in november kort na de feestdag van de ‘Vreugde der Wet’ in de synagoge zou worden gelezen en waaruit Henri dan ter ere van zijn meerderjarig-verklaring een deel zou mogen voordragen.
De Hebreeuwse woorden waren Henri nog onbegrijpelijk, hij moest ze eerst nog leren vertalen met meester Cohen, maar de zangerige voordracht klonk prettig bekend in gazzan Polak’s oudgewor-den maar nog toegewijd warme stem. Al de heertjes neurieden zachtjes mee, zij wisten wat de woorden betekenden, het was de smeekbede van Vader Abraham die pleitte voor de stad Sodom: Toen zeide de Eeuwige: Zo ik te Sodom binnen de stad vijftig rechtvaardigen zal vinden, zo zal ik de ganse stad sparen om hunnentwille. En Abraham antwoordde en zeide: Zie toch, ik heb mij nu onderwonden te spreken tot de Heer hoewel ik stof en as ben! Misschien zullen aan de vijftig rechtvaardigen vijf ontbreken; zult Gij dan om vijf de ganse stad verderven? En Hij zeide: Ik zal haar niet verderven zo Ik er vijfenveertig vinde...’
‘Dat is een mooi stuk,’ knikte oom Eli, ‘maar moeilijk. Je mag wel je best doen dat je niet blijft steken. Ik kom naar je luisteren, hoor.’ ‘Ja oom Eli, natuurlijk!’ zei Henri. ‘En dan blijft u toch verder de hele dag bij ons?’ Opeens viel hem dit in, natuurlijk moest oom Eli erbij zijn als hij barmitswe werd, anders diende het helemaal nergens voor. Oom Eli wist het meeste van de joodse dingen en met hem praatte hij er ook wel over, maar nooit met zijn vader. Die zei altijd als hij iets wilde weten: ‘vraag het zondag maar aan meester Cohen.’
Als oom Eli er niet bij was, zou hij het doodgewoon akelig vinden om barmitswe te worden. Hij zag erg tegen de dag op, nu al, hoewel het nog vijf maanden duren zou eer het zover was. Hij zou alleen moeten staan, midden in de wijde synagoge, tussen de grote mannen met hun toga’s en baretten, de rabbijnen die precies hoorden en wisten welke fouten hij maakte. En rondom uit de banken zouden al de andere mannengezichten hem aankijken en hem zien, precies zoals hij was onder het hoge witte daglicht van de Neie Sjoel. Zelf had hij al zo vaak toegekeken wanneer een barmitswe jongen daar zenuwachtig en met een wit gezicht stond voor te dragen, dat zijn hart benauwd ging kloppen als hij bedacht hoe het nu haast zijn eigen beurt werd. Maar hij zou toch zijn best doen, voor oom Eli, dat die zich niet over hem zou hoeven te schamen tegenover de andere heren van de Stichting.
100