en zijn dochter een paar briljanten knoppen. En zo is-ie doorgegaan, voor de Grote Sjoel heeft hij een nieuw perouges laten borduren, - ik heb het niet gezien, ik kom zover niet meer, - maar ze zeggen dat het stijf staat van het goud. En zijn vrouw was net zo, die heeft de rest opgemaakt, de hele dag was het daar de zoete inval, - boterkoek alle dagen van de week voor iedereen die een voet over de drempel zette.’
‘Wat aardig van die mensen,’ zei Henri van harte en keek opgetogen naar de oude Maarssen, die kalmpjes verder schuifelde langs het trottoir.
‘Aardig? Aardig? Is dat aardig als je de centen opmaakt en de rest van je leven op een schoen en een slof moet lopen?’
Mijnheer Matje keek verontrust naar Henri en ook de andere oude heren trokken hun wenkbrauwen op. De jongen dook zijn hoofd tussen zijn schouders, de woorden waren hem zomaar ontvallen. Op andere dagen lette hij altijd een beetje op de dingen die hij tegen oom Eli’s vrienden zei, maar vandaag had hij vergeten wat hij wel en niet mocht zeggen, - dat kwam zeker nog door Mietje. Hij keek met voorgewend interesse naar Feivel Maarssen, die aan de overzij voor de etalage van een goudsmid was blijven staan, en vroeg luchtig: ‘hoe oud is die meneer eigenlijk?’
‘Nee!’ zei oom Eli, ‘praat er nu niet overheen, Henri, geef meneer Matje antwoord. Is dat aardig, als men oud is en niets over heeft van wat men heeft gehad?’
Henri bedacht zich ernstig. Hij vond het een moeilijke vraag en hij wilde er echt op antwoorden, maar liefst zonder de oudeheertjes boos te maken. Eindelijk zei hij:
‘Hij had het geld in de loterij getrokken, ziet u, het was eigenlijk zo maar een cadeautje van Onze-Lieve-Heer, misschien dacht hij toen dat hij het wel voor zijn plezier mocht uitgeven. Hij heeft er toch geen slechte dingen mee gedaan!’
‘Kinderen en gekken zeggen de waarheid,’ knikte de huisknecht Mousje.
‘Och ja, een kind praat naar dat het wijs is,’ zei gazzan Polak. ‘Je zal nog wel eens beter weten, Henri. Hoe oud ben je nu precies?’ ‘Ik word dertien in oktober,’ berichtte Henri.
‘En wanneer is dan je barmitswe?’ vroeg de gazzan.
‘Zeven november in de Neie Sjoel, mijnheer Polak.’ Henri was de oude voorzanger met de witte baard hoogst dankbaar dat hij hem van het vraaggesprek met meneer Matje had afgeholpen.
‘En weet je de parsje al?’ informeerde nu oom Eli.
‘Ja,’ zei Henri, ‘meneer Cohen heeft hem juist gisteren voor me opgeschreven, maar we zijn er nog niet aan begonnen. Ik heb hem
99