Mijn goede vos! Hij droeg mij drie jaren door het gevaar en stierf zooals hij had geleefd, een vriend die geen ontrouw kent.
Het was midden winter. Wij stonden in Bohemen en hielden de hoofdstad bezet, toen de politici van Versailles, om welke reden of intrige heeft niemand van ons ooit geweten, ons order zonden voor onzen onmiddellijken terugtocht. Nooit heb ik een zinnig mensch in zulk een toestand van razernij gezien als de hertog op den avond dat de koerier hem zijn dépêches had overhandigd. Hij zat voor zijn werktafel met rooddoorloopen oogen en sloeg met beide vuisten op de kaarten waarop hij het plan voor de verdere campagne al had uitgezet.
,,De ezels! De moordenaars! Dat kost mij de helft van mijn menschen!”
Wij stonden om hem heen en hielden onzen adem in, wij waagden het niet elkaar aan te kijken. Er bestond maar één aftochtsweg, Zuidwaarts, en ieder wist dat een terugtocht in Januari door de sneeuw van het hooggebergte ons allen in doodsgevaar zou brengen. Niemand wist iets te zeggen.
„Verdoemde idioten!” schreeuwde de hertog met tranen in de oogen. Met een greep naar zijn stafkaarten rukte hij ze dwars en overdwars doormidden. Een adjudant raapte de stukken
96