De wachtmeester trad vooruit. Eerst wist ik niet wat ik zag, toen schoot ik in een lach waarin ik dreigde te stikken. De krombeenige wachtmeester stond salueerend voor zijn kolonel, uitsluitend bedekt door een lichtzinnig kanten vrouwenrokje.
Ik snakte naar adem en trachtte mij te be-heerschen. De kolonel, zich bepalend tot de taak waarvoor hij kwam aangereden, kuchte en begon rhetorisch: ,,Een man, een dapper man!” Toen werd het mij te machtig. De doodelijke ernst van mijn superieur en het listig knipoogje van mijn mindere naar zijn kornuiten, deden het hunne. Ik viel in zulk een bulderende lach-stuip, dat de kolonel moest zwijgen. En de wachtmeester, meewarig glimlachend, doopte mij met de woorden: „Och, die brave Jean-qui-rit.” Jarenlang bleef ik Jean-qui-rit. En niet alleen bij mijn ruiters. Toen de kolonel zijn beklag deed bij den duc d’Angers en deze mij ter verantwoording liet roepen, overviel mij bij de weergave der feiten ten tweede male een zoo daverende lach, dat de hertog niet anders kon dan meelachen. Toen hij klaar was, sloeg hij zijn kolonel op den schouder en zei: „Wat wilt u, mijnheer, die jongen is nu eenmaal Jantjelacht. En u zult mij toegeven dat hij bij het gevecht van gisteren het laatst en het best heeft
94