trotsch op onzen veldheer en trotsch op onszelf. Mijn ruiters waren soldaten van beroep, uit de burgerwereld verdreven door armoede of eigen koppige afwijzing van opgelegde wet. Zij hadden een harden nek, vochten als baarlijke duivels en bedreven elke doodzonde die hen aantrok. Maar zij hadden eigen wetten van eer en plicht jegens zichzelf en hun kameraden. Hun officieren gehoorzaamden zij binnen de regels der krijgstucht, maar als een officier een kameraad bleek te zijn, volgden ze hem in den dood en zoo noodig de hel, waarop zij stellig rekenden.
Toen we een half jaar in vijandelijk land stonden, hadden ze mij volledig erkend als superieur en kameraad. De eerste officierstent die bij de rust werd opgezet, was de mijne, en mijn oppasser ontving steeds eerlijk mijn deel van alle clandestien geroofde kippen. In dien tijd werd ik ook gedoopt met den soldatennaam, dien ik vele campagnejaren heb gedragen.
Het gebeurde op een stillen dag na een hardnekkig gevecht om een bruggehoofd in de Palts. Mijn ruiters namen het ervan. Zij hadden een vuur gestookt en zochten hun vlooien en andere belagers uit onderkleeren en uniform. In den herfstmist en roodbeschenen door de vlammen geleken zij een troep Zigeunervolk
92