„Omdat ze niet belangrijk meer zijn,” leerde mij een stem in mijn borst. „Je bent garderuiter van den duc d’Angers. Dat is voorloopig voldoende.”
Het was niet geheel voldoende om mijn uiterlijke positie te bepalen, dat bemerkte ik al spoedig. Wel had de hertog mij bij mijn kolonel geïntroduceerd als de zoon van een oud vriend en blijkbaar door stem en gebaar mijn superieur gunstig voor mij gestemd, maar mijn dagelijkse!) e kameraden, de jonge officieren, allen zonen van voornamen huize, bleven mij met terughouding behandelen. De afwezigheid van eenig familiewapen op mijn uitrusting en het feit dat ik van mijn traktement moest leven, maakten het mij moeilijk om vrienden te vinden. Zooals het in garnizoenen gaat, wie niet deel kan nemen aan vroolijke drinkfeesten of kaartavonden, ligt al gauw achteraf. Behalve een jongeman uit den allerhoogsten adel, die evenals ik het druk vermaak meed, — maar dan uithoofde van zijn studie en pngemeen talent voor forten- en ver-sterkingsbouw, — kon ik geen der jonge heeren mijn vriend noemen. Vijandig echter waren ze mij nimmer. Alleen een enkel rijk baronne-tje, wiens vader door legerleveranties carrière en zijn entree in den adelstand had gemaakt,
88