uniformrok. De Maarschalk was vertrokken.
Ik werd koud van woede. „En al sta ik hier tot morgen, ik ga niet heen,” besliste ik. „Ik laat mij niet behandelen als een lakei, dien men vergeet naar bed te zenden. Als hij terugkomt, zal hij mij tenminste zien en zich schamen.” Het eeni-ge wat ik mijzelf toestond, was een stoel.
Alleen de dienstdoende adjudant was nog aanwezig, maar blijkbaar aanstoot nemend aan mijn geringe toeschietelijkheid, had hij mij den rug toegewend en schreef ijverig aan een lang epistel. Zoo ging de avond voorbij.
Eindelijk, juist toen ik bemerkte dat ik zou indutten als ik niet oppaste, kierde de deur van het werkvertrek langzaam open en een hoofd in slaapmuts keek om den hoek.,, Nog iets te melden?” vroeg het.
De adjudant was in de houding gesprongen. „Hier wacht nog een bezoeker Uwe Genade.” Ik stond al achter hem aan den drempel. De deur week verder terug en vertoonde een ongewoon lange, hoekige figuur in een kamerjapon.
„Zoo,” zei de duc d’Angers. „Ben je daar nog? Koppig, zooals jullie heele ras, hè? Kom maar binnen.”
De adjudant had achter mij gesloten. Ik stond in de houding, maar de hertog wenkte mij tot vertrouwelijker losheid.
86