eigen dak op mijn eigen grond mocht wonen."
Ik ergerde mij, het klonk als een lesje. Maar de graaf glimlachte en keek mij voor het eerst recht en vol in de oogen.
,, Vrijgraaf in eigen recht, he ? Voor vierhonderd jaar zijn de Auzuns zoo begonnen, „Dieu seul est Maistre.” Enfin, wie weet. Misschien komt er inderdaad weer een tijd dat men kan leven zonder de gunst des Konings.”
Hij bleef staan, het souper was beëindigd. Ik boog mij over zijn hand en dankte hem voor zijn ontvangst. Zijn hand hield de mijne een oogen-blik langer dan ik verwachtte en toen ik achterwaarts week naar de deur, volgden zijn oogen mij met denzelfden schuwen, hongerigen blik, die mij dien middag had getroffen. Maar reeds eer ik den drempel bereikte, had hij zich afgewend en toonde mij nog slechts van terzijde zijn smal gelaat, wit en scherpgesneden als een camee.
83