schenken, vroeg ik tot mijn eigen verwondering: „En hoe is het verhaal van Madame d’ Ivry?” Mijn voogd zat plotseling rechtop en bekeek mij door zijn lorgnon.
„Wat weet jij van Madame d’Ivry?” vroeg hij. „Niets dan wat mij onderweg werd verteld,” verklaarde ik naar waarheid.
„De menschen vertellen zooveel,” zei hij.
„Is zij werkelijk melaatsch?” vroeg ik op den man af.
Mijn voogd haalde zijn schouders op. „Ik weet niet alles wat in Versailles gebeurt,” zei hij ontwijkend. „Men heeft natuurlijk praatjes verteld. Men beweerde dat een gewaardeerde vriendin van Zijne Majesteit haar liever niet meer aan het hof zag, omdat zij teveel de allerhoogste aandacht trok. Maar men moet in Versailles niet naar ieders woorden luisteren. Men moet er ook niet spreken maar doen. Er zijn daar maar weinigen die metterdaad invloed oefenen.”
Ik zweeg. Stellig wist hij meer dan hij thans uitsprak. Volgens mijn gouverneur was hij zelfs raadsman van de gewaardeerde vriendin des Konings. Ik waagde nog eenmaal een poging.
„Heeft haar echtgenoot haar daarginds geisoleerd?” vroeg ik.
„Het is geschied op bevel van iemand dien men niet tegenspreekt. Haar echtgenoot had
6 81