nog meer moeten bijstaan dan thuis in mijn cel, ik vrees dat ik U nog veel moeite zal geven.” En inderdaad was het merkwaardig om te ondervinden hoezeer de harten werden bewogen van hen die ik op mijn reizen tegenkwam. Ieder was even behulpzaam en aangenaam, ik werd niet bedrogen en mijn superieuren waren tevreden. En als er een enkele maal moeilijkheden rezen, dan kwam dat alleen omdat ikzelf had willen handelen en niet het werk had overgelaten aan God. Maar ik kon er mij niet al te zeer over bedroeven, ik zei alleen: „Ziet Ge nu wel, dat Ge mij niet alleen kunt laten? Als Ge wilt dat ik Uw werk doe, moet Ge mij helpen,”
Zoo heb ik de laatste jaren geleefd. Zonder moeite en zonder zorg en gelukkiger dan ik ooit dacht te zullen zijn en dat alleen door de Goddelijke barmhartigheid. Maar ik spreek daarover zelden en slechts wanneer men mij ernaar vraagt, zooals gij. Men behoeft niet over de Liefde te spreken, want Zijzelf is er altijd. Overal en altijd is de Liefde Gods bij ons.
„Behalve bij mij,” zei ik. Ik voelde mij oneindig bedroefd en verlaten. Morgen zou hij heengaan en hoe kon ik nog verder leven zooals ik tot nu had geleefd? Het was onmogelijk. Zou ik mij moeten verhangen, zooals de arme jongeman in de gevangenkamer?
218