komst en al wat ingewikkeld was naar den geest bleef mij oneigen.”
„Zooals mij,” zei ik gretig.
„Toen werd mij gaandeweg klaar, dat er voor mij na al mijn voorbereiding maar een enkele weg openlag, ik had mij metterdaad over te geven aan Gods Barmhartigheid. Gezocht had ik lang genoeg. Nu moest ik rechtuit loopen. Ik droeg mijzelf op aan de Eeuwige Liefde en wachtte af. Maar tegelijk hield ik mij aan mijn woord. Al wat ik kon doen, ofschoon het niet veel was, deed ik niet voor mijzelf, maar om de liefde Gods. Men had mij mandenvlechten laten leeren en met iederen wilgenteen vlocht ik die liefde mee in het rietwerk. Ik sprak met God als een kind met zijn vader en vertelde Hem, dat ik niets was en niets kon, dat ik een blinde boerenzoon was zonder gaven, dus dat Hijzelf mij helpen moest als Hij wilde dat ik iets van mijn werk terechtbracht. Maar toen ik werkelijk goede manden vlocht, nam mijn Prior mij het werk weer af en zond mij uit om wijn te koopen.”
De tranen sprongen mij in de oogen. „Hoe kon hij u dat aandoen?” riep ik heet.
„Het was een vereerende opdracht en ik dankte God dat Hij mij ook op deze wijze wilde gebruiken. „Maar,” zei ik Hem, „nu zult Ge me
217