in mijn oogen mijn eenige verontschuldiging waren. „Vergeef mij,” zei ik.
„Ik zal u toch iets van mijn leven moeten vertellen,” zei hij na een stilte, „ofschoon ik het niet gaarne doe, want soms verhindert men daardoor een ander om zelf te vinden. Maar ik voel uw wezen verwant aan het mijne, al zijt gij naar de wereld mijlenver van mij verwijderd. Ik ben van eenvoudige afkomst, een dorper zoo-als uw hoorigen. Als jongen was ik het knechtje van een knecht en daarna soldaat in een huurtroep wat niet veel anders is. Toen ik dertig was, had ik zooveel bloed zien vloeien dat ik mijzelf en alle menschen haatte. Toen ben ik als leeke-broeder bij de Benedictynen gegaan, niet omdat ik was bekeerd, maar omdat ik daar verbleef buiten een wereld die zichzelf verscheurde. Ik mocht den broeder-heelmeester helpen in zijn kruidhof en langzaamaan begon ik iets te leeren van zijn werk, want ik had een goed hoofd en handige vingers. Zoo heb ik jaar na jaar onder hem gewerkt. Hij was een opgewekt man, die de zieken hielp zoo goed hij kon en de stervenden zooals de Kerk ons dat heeft onderwezen. Hij vroeg nooit waarom de mensch ziek wordt en sterft, daarvoor had hij geen tijd. Toen hij zelf stierf, liet men mij zijn werk over, maar hoewel ik evenmin vrijen tijd had, gaf ik mij rekenschap
214