„Zie naar mij,” zei hij. „Is er geen remedie voor menschelijk leed?”
Ik zag hem aan. Zijn gansche misvormde maar stralende wezen was een luisterrijk getuigenis dat zulk een remedie moest bestaan. Ik had voor hem kunnen knielen.
„Vader,” vroeg ik, „waarom geeft ge mij niet mede van uw medicijn?”
Hij glimlachte op zijn roerend hulpelooze wijze. „Ik ben geneesheer geweest en wat den eenen zieke baat, is vergif voor den ander. Maar u heb ik al vroeger mijn heelmiddel geboden. Herinnert ge u niet, dat ik u verwees naar de Barmhartigheid Gods?”
Een laatste woedende golf van tegenweer rees in mij omhoog. „De barmhartigheid Gods? Een barmhartigheid die toelaat, dat elk mensch elk ander onbarmhartig behandelt? Een barmhartigheid die u in haar dienst veroordeelt tot een zoo onrechtvaardige straf? Ik spuw op die barmhartigheid, ik schop ze van mij af!”
Hij was opgestaan en bekruiste zich. Toen zei hij: „Mijn zoon, uit die Barmhartigheid leef ik zooals ge mij ziet leven.” In zijn stem klonk het reine metaal eener altaarschel.
Ik bleef verward zitten waar ik zat. Eerst toen hij zich weer naast mij neerliet, voelde ik dat mijn hoofd zich moest buigen en dat de tranen
213