laat had gelezen en die nu wonderbaarder nog uit zijn arme, verworden gestalte brak. Soms kwam het mij voor dat zelfs de wind, die door de boomen van het park ruischte, bij den kleinen kruidhof ging liggen om deze stilte niet te beschadigen.
Een enkele maal slechts sprak hij over zijn dagtochten, doch het bleek mij, dat hij zijn zaken wonderwel wist te bestieren, ofschoon ik niet begreep hoe hij, argeloos en geen koopman van nature, met inhalige verkoopers handelen kon.
Maar mijn rentmeester verzekerde mij dat de pater helder en juist voor-en nadeel wist af te wegen en gemakkelijk evenwicht vond tusschen vraag en bod. Ook toonde hij een opmerkelijk goeden smaak voor het keuren van den wijn. Het bleef mij een raadsel, hoe hij al deze wereldsche handelingen zoo simpel en perfect vol voerde.
Den laatsten avond echter dat wij bijeen zaten, werd mij dit alles klaar en nog veel meer. Het was alsof hij had gewacht tot ons afscheid om mij inzicht te geven in wat hem bewoog, want ik zag dat hij zich terugtrok in woordloos gebed eer hij zich tot mij wendde.
„Mijn zoon,” zei hij, „ik moet u danken voor uw gastvrijheid, die ik niet beloonen kan, want hoe zou ik die de gelofte van armoede heb
210