aan u gedacht op mijn tochten, ik heb u zelfs wel benijd, dat ge een zoo vreedzaam en mensch-lievend bestaan mocht leiden. En nu zijt ge zoo gestraft!”
„Gestraft?” Hij schudde zijn hoofd. „Dat is een zonderling woord. Maar ik wil u wel zeggen wat is gebeurd. Niets bijzonders, ik had wat pokpatiënten te verzorgen. Toen zij genezen of gestorven waren, was het mijn beurt. Dat is alles. De pokken zijn een kwaadaardige ziekte, zij laten van den uitwendigen mensch niet veel over.”
„Maar hoe kunt ge dan uw zaken bezorgen met een zoo ontoereikend lichaam?” vroeg ik en hoorde opnieuw mijn lompheid. Maar hij zei eenvoudig:
„Het gaat, zooals ge ziet.” Even was het of hij meer wilde zeggen, maar hij bedacht zich en zijn glas ledigend, stond hij op. „Ik wil u niet langer ophouden, monsieur, en ook moet ikzelf vandaag nog verder. Ik dank u voor uw hartelijkheid.”
„Wilt ge niet nog wat blijven?” vroeg ik haastig. Zijn aanwezigheid vulde zoo bevredigend de leegte in en om mij, dat ik mij plotseling niets aangenamers kon voorstellen dan hem als gast te mogen herbergen. „Ge zijt hier midden in de wijnstreek, ik kan u met paard en koets
208