herinnerde en dat hij mijn stem had herkend zoodra ik tegen hem sprak. „Het is wel merkwaardig, dat ik u terug vind als de Graaf van Auzun, ik had u altijd aangezien voor een eenvoudig landjonker.”
,,Maar dat ben ik ook,” verontschuldigde ik mij en moest toen voor het eerst sinds langen tijd hartelijk lachen. Want wij stonden nu in de eetzaal waar het overdadig dessert mij nog wachtte op de zilveren en kristallen schalen. Ik keek er mijn gast op aan of ook hij deze ongerijmdheid gouteerde, maar schrikte terug. Hij had immers niets gezien.
Ik schoof een stoel onder zijn tastende handen en hij liet zich neer. Toen legde ik hem eeni-ge schoone perziken op het bord en terwijl hij er een tusschen zijn handpalmen nam en bevoelde, zei hij:
„Een perzik is waarlijk een gezegende vrucht. Zij streelt zoowel den tastzin als smaak en reuk. De wereld is toch wonderbaar besteld. Aan den geur en den volmaakten vorm en die fluweelen huid voegt mijn geest nu de tinten toe van paarlmoer en roos, zoo smaak ik met al mijn zinnen in een enkele vrucht Gods barmhartigheid.”
Ik zat stom tegenover hem zonder te begrijpen en wist alleen dat ik nooit roerender gebaar
206