Ik had zijn stem reeds herkend en mijn hart was ontzet dat deze mensch aldus was geschonden. Maar ik moest hem antwoorden en zei: „Ik bedoel den broeder-heelmeester, die er een jaar of vier geleden werkte.”
Zijn gelaat trok in een vreemden plooi, die blijkbaar een glimlach was. „Van dien broeder-heelmeester kan ik u de allerbeste berichten geven. Hij is gezond en blij en looft God iederen dag van zijn leven. Ik kan het weten, want ik ben het zelf.”
Verslagen en verward zag ik hem aan. Zijn gezicht was een klomp vleesch zonder uitdrukking en zijn oogen zagen mij niet. Hoe kon hij blij zijn en God loven? Maar zijn stem sprak de hoorbare waarheid. Ik wist niet wat ik zeggen moest, ik stond tegenover hem als een domme jongen. Maar toen viel mij in, dat ik hem wel zeer onheusch behandelde door hem hier als een bedelaar voor mijn woning te laten staan. Ik nam zijn arm. „Ga een oogenblik mee naar binnen,” zei ik, „en drink een glas wijn met mij. Ik herinner mij nog altijd uw goede zorgen, al betroffen zij meer mijn ziel dan mijn lichaam. Herinnert ge u den jongen man, die kwam vragen naar Madame d’Ivry?”
Terwijl ik hem het bordes hielp bestijgen, antwoordde hij mij, dat hij zich mij inderdaad
205