blauw en goud als een volmaakt geslaagd kunstwerk der natuur.
Maar toen ik de vorstelijke vrucht in mijn handen nam, overviel mij plotseling het dwingend verlangen om nu dadelijk, zonder uitstel, zekerheid te ontvangen, dat de misvormde Benedictynerpater in geen geval mijn goede heelmeester was. Tijdens den maaltijd had ik telkens zijn vriendelijke oogen voor mij gezien en mijzelf dan tijdelijk gerustgesteld met de gedachte dat er meer Benedictynen waren dan hij. Maar op dit oogenblik was het mij pertinent onmogelijk om ook nog een enkelen hap van die perzik te eten eer ik wist, dat de blinde Benedictyn een vreemde was.
Ik stond op en ging naar buiten. Daar zag ik dat de pater reeds met den kleinen jongen den inrij weg afging. Haastig zond ik hem een bediende na met het verzoek om nog een oogenblik terug te keeren.
Ik had geen leugen klaar om mij te verontschuldigen en dus zeide ik, dat ik een bekende had in het hospitium nabij Fontainebleau en dat ik gaarne bericht van hem zou ontvangen. Hij knikte en zei dat hij mij tot zijn genoegen van dienst kon zijn, want hij behoorde thuis in hetzelfde klooster. Ik moest maar zeggen wie mijn vriend was.
204