dezen man mij ondanks alles bekend moest zijn.
Maar de eenige Benedictynen die ik ooit had ontmoet, waren de broeders van het hospitium geweest en slechts met den broeder-heelmees-ter had ik mij diepgaand onderhouden. Was deze man mijn vriendelijke geneesheer? Ik wilde het niet onderstellen, zijn lot scheen al te verschrikkelijk.
Intusschen was de rentmeester op den pater toegetreden en duidelijk zag ik ook zijn stommen schrik. Doch hij gaf zich houding door zakelijk te informeeren naar de reden van het bezoek en even later zag ik hen samen heengaan in de richting der kelders. De pater liep mee met verzekerden stap, zijn hand slechts losjes op den schouder van den jongen. Ik keerde mij naar het kasteel en steeg langs het bordes naar de eetzaal voor het rituaal van mijn eenzamen maaltijd.
Mijn koks hadden zich dien dag wel zeer uitgesloofd en dus liet ik aan het dessert mijn keu-kenchef roepen voor een woord van welverdienden lof. Ook dit behoorde tot het protocol, alleen wist ik niet altijd welken schotel het meest te roemen, want voor mijn gering gastronomisch onderscheidingsvermogen smaakten zij alle even perfect. Ditmaal complimenteerde ik hem dus over zijn uitgelezen dessert, want de groote, donzige perzik op mijn bord lag daar tegen het
203