rozenhof, die het rood en geurig hart vormde van het gansche weidsche park.
Daar ook vond mij een middag mijn rentmeester, die mij verslag kwam brengen van een zaak die hij gewichtig achtte. Ik luisterde met aandacht, want dit is de eenige wijze waarop men een ondergeschikte werkelijk beloont voor zijn toewijding. Toen hij geëindigd had, stonden wij nog even zonder spreken bij een zeer schoone roos, een nieuwe soort, die eerst kort zijn vollen, rijpen vorm had aangenomen. Op dat oogen-blik kwam Jeróme om te melden dat mijn diner was geserveerd en dat naar den rentmeester was gevraagd door een Benedictyner-pater, die wenschte te onderhandelen over den aankoop van wijn.
Wij gingen tezamen terug, zij drie pas achter mij in vormelijke zwijgzaamheid. Op het voorplein zag ik een kleinen boerenjongen naast een Benedictijn, den pater waarover Jeróme had gesproken. Ik groette hem beleefd, maar vreemd genoeg groette hij mij niet terug. Ik keek hem scherper onder de kap en wist mij een oogenblik geen rekenschap te geven van wat ik zag. In zijn vormloos vergroeid gelaat stonden geen oogen, doch een paar bleekwitte, doffe schellen. Ik week ontdaan terug en eerst het volgend oogenblik realiseerde ik mij, dat het wezen van
202