mij de bijna sacraal pralende disch, voor mij alleen bereid en bedekt met zoo overladen schalen en compotiers alsof ik Gargantua zelf was. Glimlachend liet ik begaan, want ik begreep dat ook mijn koks een goed gebraad waardeerden en den graaf van Auzun mochten laten spendeeren zonder tellen.
Alleen aanzittend in den hoogen zetel van den kasteelheer, met een dienenden lakei aan beide zijden en den roerloozen Jeróme toeziend bij het dressoir, moet ik in dien tijd het beeld zijn geweest van ten top gevoerde menschelijke nutteloosheid. In ieder geval voelde ik mij zoo. Terwijl de heete zomerzon de wijnbergen stoofde en de boeren, taai en uitgedroogd, al hun kracht gaven aan het groeiend druivenleven, zat ik voor een overweelderig maal dat tien magen zou hebben verzadigd en dronk den wijn der vorige jaren. Een enkele maal herinnerde ik mij met weemoed mijn oude jongenshut. Ik wist nu dat ik haar nooit meer zou binnengaan, de tijd van spelen was voorbij.
Enkele zaken slechts regelde ik op het kasteel. Het stoffelijk overschot van den vorigen graaf liet ik van de kapel te Versailles waar het tijdelijk was bijgezet, overbrengen naar Auzun. Mijn moeders graf in Normandië waagde ik niet te doen openen. Waar kon ik haar beter weten dan
200