XII
Volgens alle sagen en legenden had ik na dien Kerstnacht een berouwvol en heilig leven moeten leiden, in de wereld rondgaand en zegen spreidend. Maar zoo simpel is het leven niet, tenminste niet voor een grootgrondbezitter en drager van een ouden naam. Van alle kanten stormde het wereldsch gebeuren op mij af en iederen dag opnieuw pijnigde ik mijn hersens hoe en of ik genade kon laten gelden inplaats van het recht dat mij in handen was gelegd. Wel voelde ik mij nimmermeer zoo wanhopig ontoereikend en losgeslagen als in dien Adventstijd van mijn terugkeer, maar iederen avond als ik mijn dag overzag, schudde ik het hoofd over alle misbruikte en verzuimde gelegenheden. Daarbij mislukten mijn goede bedoelingen soms door futiele redenen nog onder mijn handen.
Zoo verging het mij bijvoorbeeld met de nieuwe cijnsregeling die ik na veel hoofdbreken voor mijn boeren had getroffen. Het was waarlijk geen overdreven goedheid, dat ik hun wat grooter deel liet van de opbrengst die zij met hun eigen handen uit mijn grond wonnen. Zij leidden een karig bestaan en moesten zich alles
196