Ik bleef staan, overmand door het zwaar verdriet, dat al mijn eigen doen en laten die uiterste eenzaamheid nog had vergroot. Ook ik had mijn hoofd afgewend van wat dit beeld beduidde. Zon maan en sterren, dier en plant en de warmte van vrouwen had ik willen kennen, ik had ze begroet en ermee geleefd. Maar het offer der liefde was ik voorbijgegaan. Ik had gedood zonder noodzaak en waar ik recht had moeten oefenen, was ik wreed geweest. Ik had mijn eigen edelmoedige jeugd verraden.
Mijn hoofd zonk op mijn borst. De stilte breidde zich uit en ging spreken. Langzaam en geweldig dreef het berouw zijn snik naar mijn keel.
195