aan het hoogste punt, waar het groote kruisbeeld der streek eenzaam in het maanlicht stond. Daar bleef ik staan en zag uit over de landerijen om mij heen. Alles behoorde mij, mij persoonlijk, Jean Louis Armand dAuzun. En toch hadden allen wien het niet behoorde, meer deel aan dit land dan ik. Zij lieten er hun kracht en hun zweet en als zij stierven, werden ze weer tot Normandische aarde. Ik echter zou worden bijgezet in den rotsigen grafkelder van Auzun en nooit had ik een droppel zweet verloren in dezen grond. Welk recht bad ik dan om hun kaars te offeren? Ik was een vreemdeling hier en overal.
Zoo stond ik en voelde mij armoediger nog dan te voren. Vreemd is dit, dacht ik. Zoo arm is nog nooit iemand geweest. Zoo alleen en zoo verdwaald als ik.
Maar verdergaand, zag ik de strakke slagschaduw van het kruisbeeld voor mij over den weg liggen. Onwillekeurig ging ik op zij, mijn voet weigerde op dit teeken te treden. En plotseling herinnerde ik mij, dat er grooter eenzaamheid bestond en had bestaan. Om dit beeld wond het volk geen zingende rijen, het lichtte de muts en ging verder. Deze eenzaamheid boven het wijde land was onvergelijkelijk veel grooter en smartelijker dan de mijne.
194