de Kribbe en adoreerden met een eerbiedige kniebuiging het Kind. Volgens oeroude zede ontstak daarna de grondheer of wie hem verving een kaars aan het altaar van Maria, zegen smee-kend over werk en oogst van het komende jaar. De Moedergods draagt voor die gelegenheid steeds een eenvoudig boerinnekleed, want in dezen nacht is zij bij uitstek de zeer simpele en wonderbare Moeder, dicht bij de aarde en Haar volk.
Zoo trad ik dan naar voren en Suzanne aan de hand vattend, ging ik naar de kribbe, boog de knie en zette de wieg in schommelenden gang. Daarna wendde ik mij naar het Maria-altaar, waar de koster reeds gereed stond met kaars en talkvlam. Ik boog mij op de knielbank, nam de kaars en zag omhoog.
Wat toen is geschied, weten de omstanders allicht beter dan ik. De doodsbleeke Suzanne zeide, dat zij dacht mij te zien sterven. Ik zelf weet alleen dat niet Maria en het Kind maar de vrouw van den hoefsmid met haar kind op den arm voor mij op het altaar stond.
Nooit zal ik dit vergeten. Zeker, mijn biechtvader heeft mij gezegd, dat het mijn eigen gestoorde zinnen moeten zijn geweest, want de genaderijke Moeder Zelve is barmhartig en de voorspraak der zondaars en niemand heeft iets
192