Kort daarna nam ik afscheid van haar en haar dame de compagnie. Ik zou den nacht nog op haar goed doorbrengen en den volgenden dag terugrijden, zoodat ik voor den Kerstnacht thuis kon zijn. Ik had Suzanne beloofd, dat ik de nachtmis zou bijwonen, want de goede ziel wilde, dat de gansche streek zich zou verheugen over mijn komst. Ik was hun Sieur Jean en hun grondheer, zei ze, en al het boerenvolk was dankbaar dat ik hun meester was geworden.
Den volgenden morgen reed ik terug. Mijlpaal na mijlpaal vergrootte zich de afstand tus-schen mij en de vrouw die mij lief was, die ik in die korte uren werkelijk was gaan begeeren, want thans verlangde ik haar schoon lichaam evenzeer als den troost van haar ziel. Maar er lag een ban op mij, ik voelde dat, indien ik haar huwde, ik weer zou vragen en nemen zonder terug te kunnen geven. Het mocht niet.
Met den schemer kwam ik thuis. Reeds van verre rook ik den geur van Suzannes baksel en het gaf mij een kleinen troost, dat er tenminste iemand was, die zich kon verblijden over mijn aanwezigheid. Al zou ik den ganschen avond stom in mijn hoekje zitten, dan nog was dit de oude vrouw het grootst denkbare geluk. Het was reeds aandoénlijk om te zien, hoe zij naar mij keek terwijl ik haar wafels at.
189