maal mijn hart bij haar uitgestort. Nu zij zelf dit haar teeder gebaar herdacht, wist ik dat ik verder mocht gaan en haar tegelijk met mijn dank mijzelf aanbieden.
Maar het was mij onmogelijk, mijn tong lag vastgesnoerd. Nu ik haar hier voor mij zag gebaren, haar zoet parfum rook en iedere beweging van haar fijnen hals en arm in mij opnam, nu ik haar zag als een vrouw die zich in mijn arm wilde geven om mijn vrouw te zijn, waagde ik het niet haar mijn doodmoe hart aan te bieden. Het leek mij onrecht om dit lieflijk, sierlijk wezen te bezwaren met mijn dagelijksch bijzijn, zij die omgang had met appelbloesems en rozen. Zeker had zij zich mij herinnerd als de naïeve knaap die haar had aangebeden in een maannacht. Ik mocht haar niet den last opleggen om een teleurgesteld en gewond mensch te verplegen naar de ziel.
Zoo bleef ik sprakeloos tegenover haar zitten en hoewel ik zag, dat ze pijnlijk blozend het hoofd boog over haar tapisserie, wist ik haar en mij niet anders te helpen, dan dat ik vroeg naar de laatste uren van mijn moeder. Zij berichtte met stille woorden over haar verscheiden en toen zij opstond om een kluwen te zoeken, was er rust in haar gang en de elegance van een vrouw van de wereld.
188