wederkeerde. Ik stapte af en boog de natte takken opzij tot ik vond wat ik zocht. Een kleine bruine griffon lag nat en rillend met zijn pootje geklemd in een konijnenval, de groote zijden strik aan zijn halsband was bloedig bevlekt.
Voorzichtig maakte ik hem los, terwijl ik ironisch bedacht, dat ik met de jaren blijkbaar meer lust had om Samaritaan te spelen bij dieren dan bij menschen. Maar wellicht was er een mensch of kind die zijn kleinen speelkameraad miste en blij zou zijn hem terug te zien. Ik rolde het zijden balletje in een slip van mijn mantel, dat het warm bleef tegen mijn borst, en zette met een enkele hand de teugels houdend, mijn weg voort. Nu diende ik wel af te stijgen bij de Marquise d’Ivry om het kleine dier te laten verzorgen. Ik glimlachte om mijzelf. Het was het eenige geschenk, dat ik mijn dame bracht, al wat ik voor haar had bestemd, lag nog thuis tusschen mijn bagage. In mijn lusteloosheid had ik verzuimd ook maar iets mede te nemen.
Doch toen ik mij door haar gezelschapsdame liet aandienen, bemerkte ik dat ik welkomer geschenk bracht dan iets dat ik had kunnen verzinnen. „Is de kleine hond gevonden?” hoorde ik haar zeggen eer ik haar zag. „Wie komt hem brengen? Hoe is zijn naam, zegt ge?” En toen ik over den drempel van haar boudoir stapte,
185