„Ja,” zei ik in pijn, „dat zal het wel wezen. Geef me een glas wijn, Suzanne, ik had een andere thuiskomst verwacht.”
Een week later reed ik door het stille land naar haar die ik eenmaal tot mijn dame had gemaakt. Maar ik reed zonder vreugde.
Als ik vroeger vooruitzag naar dezen dag, voelde ik mij vleugels groeien, maar thans, terwijl ik in matigen draf door de smeltende sneeuw klotste, was hij mij slechts voortzetting van een traag aftikkenden tijd. „Heb ik dan geen hart meer dat kloppen kan?” vroeg ik mij af. „Straks zal ik een vrouw vragen om de moeder van mijn kinderen te zijn en ik voel verwachting noch blijdschap. Het is of ik al gestorven ben.” Rondziend, overviel mij de vreemde waan, dat ik mij inderdaad bewoog door een kille doodenwereld, zelf een uitgegloeid, leeg hulsel. Langzamerhand gleed ook het doel van mijn tocht uit mijn bewustzijn, er bleef mij niets dat doel of zin had. „Waarom rijd ik hier eigenlijk?” dacht ik. Nog toen van verre reeds de toren van het slot Ivry rees, weifelde ik of ik niet door zou rijden naar Rouaan en er de meisjes van pleizier bezoeken.
Maar opeens hield ik instinctmatig de teugels. Achter de struiken, terzij van den weg, hoorde ik gekerm, een klein, klaaglijk geluid dat geregeld
184