Denzelfden morgen vroeg ik belet bij mijn chef en verzocht om een half jaar verlof. Na drie campagnejaren was het geen onredelijke vraag. Ik moest in Versailles mijn zaken regelen. Ik wilde Normandië en mijn moeder terugzien. En ik wist dat ik niet kon vluchten voor wat mij wachtte in Auzun. Een half jaar was niet te ruim gemeten.
„Veertien dagen,” zei mijn chef. „Wij hebben niet veel speling.”
„Ik heb zaken te regelen,” zei ik. „Er is een groote verandering in mijn positie gekomen.” „De zaken des Konings gaan altijd voor,” antwoordde mijn chef. „Er is mij iets bekend van die veranderde positie. Daarom heb ik u gisteren al dadelijk uw bevordering gemeld. Wij willen u in het leger niet missen.”
Ik voelde mij wit worden. „U hebt den rang dus verleend aan den comte d’ Auzun en niet aan Jean-qui-rit? Het spijt mij. Maar ik had kunnen begrijpen dat men met moed alleen het niet tot kolonel brengt op zijn vierentwintigste.”
„Inderdaad”, zei mijn chef. „Het prestige van een naam doet veel. Maar lang niet al mijn jonge heeren brengen het tot kolonel. U bent een goed soldaat. En daarom verwacht ik dat u bij ons zult blijven en uw plicht doen.”
8 113