grens perste een overmachtige afkeer zijn oogen terug, ze lieten los, dwaalden af, zochten rond om hulp, ■—-dit was de eetkamer, waarom was die kamer zoo theatraal behangen, waarom kon de kamer niet blijven zooals ze was, .— waarom konden de dingen niet blijven zooals ze waren?
Achter de deur, in de gang, ritselden kleeren, een hand gleed tastend langs de deurknop, die werd neergedrukt,
■— in één stap was hij bij de deur en draaide den sleutel in het slot.
Nu, onherroepelijk alleen met dat wat gezien moest worden, keerde hij zich met een ruk naar het midden van de kamer. Hij wilde zien, hij verwachtte den aanblik en zag.
Onder de omfloerste lampen strekte de doodkist zich lang op zwartbehangen schragen.
Onwezenlijk lang was die kist, -— zonderling, dat een mensch zoo lang bleek te zijn, als hij plat was gelegd omdat hij dood was.
Een dood mensch. Hier in de eetkamer. Vader? .—• neen over vader ging het nu niet, «—- dit was een lijk, en hij had nog nooit een lijk gezien.
Zijn handen in de zakken ontspanden zich, zijn voeten deden drie groote schreden voorwaarts, hij stond naast de kist.
Daar botste zijn blik tegen het starre lijkengezicht, •—-de felle schok trilde na in zijn hart, het doode gezicht was toch: vader. Het werd allereerst •— vader.
Vader!
Vader, die er altijd was geweest, groot en noodzakelijk, het rumoerig, onbegrijpelijk deel van de wereld, vader,
84