kamer, waarom was hier niemand anders die ademde?
Vlak achter de dichte deur, in de gang, hoorde hij gedempte stemmen, *— moeders stem en het haastig gefluister van de dienstbode, die hem had binnen gelaten. Nu raakte iemand aan de deurknop, hij keek om, -— de angstig vorschende oogen van zijn moeder zochten over zijn gezicht.
Ze wilde binnenkomen, maar hij weerde af, fel en haastig wees zijn hand haar terug, *— geen ander hierbij, dit was voor hem, om alleen mee te zijn.
Weer sloot zich de deur, alsof ze zichzelf in het slot drukte. En weer hield de kamer hem tegen.
Zijn voeten stonden op den rand van het dikke vloerkleed, waarop in het midden de tafel moest staan, maar de tafel stond daar niet. Het andere was daar neergezet. En de afstand tot het andere was onoverkomelijk.
Toch had hij twee dagen lang gereisd, van Florence naar dit huis, om tot het midden van deze kamer te gaan. Maar nu wilden zijn voeten hem niet verder brengen dan tot den rand van het vloerkleed.
Hij fronste de wenkbrauwen, zijn vuisten knepen vaster ineen. En hij vloekte, binnen in zichzelf vloekte hij, ■— „verdomd .— ik moet het zien, ze hebben het daar toch neergezet om gezien te worden, -— en ik sta .hier toch om het te zien.”
Over de leegte van het vloerkleed dwong hij zijn oogen verder tot aan de zwarte doeken, die gespreid lagen langs den voet van de hinderlijke stellage, en toen van den grond opwaarts tot aan een grens waar dof eikenhout drukte op den duisteren plooienval. Maar aan die
83