„Kom je morgen weer?"
De jonge man bukte zich en kuste het zachtste van alle zachte plekjes die zijn lippen aan haar hadden ontdekt, het fluweelen kuiltje van haar hals.
Toen richtte hij zich op, rekte de armen en antwoordde: „Morgen? Er is geen morgen. Ik geloof pas aan morgen als ik morgenochtend wakker word/'
Maar toen Mr. Johan de Laer, directeur der Holland-sche Bankvereeniging, op den morgen van zijn huwelijk den gladden ring schoof over den fijnen witten vinger van freule Dix, zijn bruid, zag hij plotseling in een helverlicht, felbewust moment, dat hij trouwde met de verkeerde vrouw,
* »
•
Johan de Laer, student in de rechten, stond op den drempel van de eetkamer in zijn ouderlijk huis. Achter hem wilde iemand de deur sluiten, dus deed hij een stap naar voren, de kamer in. Toen sloot zich de deur.
Maar de kamer hield hem tegen. De kamer was zwart, een onbekend dofzwart hing en stond in de kamer, de vochtige, zwarte nacht van daarbuiten had zich gedrongen in de kamer die hij zoo niet kende. De kamer was anders, ongedacht anders, nu door een zwart-krippen nevel twee verduisterde lampen schenen boven het vreemd langwerpig meubel, dat stond waar de tafel behoorde te staan.
De student kneep zijn handen dicht in de zakken van zijn regenjas die nog nat om hem hing. Hij hoorde zich ademhalen en sloot de oogen, -— het was te stil in deze
82