„Dank je voor je inlichtingen, de Laer. Ga nu maar naar den directeur en zeg hem, dat ik je uit de klas heb gezet omdat je ander werk deed onder mijn les.”
De jongen stond op. Zoo in zijn volle lengte gezien, was hij al een heer, de vouw van zijn pantalon teekende scherp en recht geperst boven zijn bruine molieres. Hij liep door tusschen de banken waar de andere jongens hem lawaaiig tegen wilden houden. Bij de open deur keerde hij zich naar den leeraar die nog altijd achterover leunde in zijn stoel, en zei met een koel glimlachje: „We kunnen blijkbaar toch niet buiten het wettig gezag, mijnheer Pakkiesdrager.”
De leeraar dook dieper in zijn stoel. De jongen zag het, *— toen sloot hij voorzichtig de deur achter zich en ging zijn straf ontvangen.
Later heeft Mr. de Laer vele malen den zegepraal zijner opvattingen beleefd, maar nooit heeft hij vollediger zijn triomf genoten dan op dien schoolochtend, toen hij den onooglijken leeraar verder zag wegzakken in diens stoel.
« «
*
Waar de huizen vaneenweken was het einde van de straat, daarachter lag nog het weiland. Al den tijd dat de jonge man liep van het begin der straat naar het einde, wist hij dat straks de huizenrij zou ophouden en dat daarachter het weiland lag waar het hooge gras zacht moest wezen en geurig.
De straatlantaarns stippelden lichtjes langs twee lange, rechte lijnen die elkaar aan het verre einde bijna raak
76