ten; daarboven teekenden de gevelspitsen grillige strepen tegen een doorzichtigen groenblauwen avondhemel.
De jonge man keek omhoog en zag, hoe de zomerdag die voorbij was, nog hing uit te gloren in te lucht. Hij vertraagde zijn stap, omdat het eerst heelemaal donker moest wezen voor deze zomeravond begon.
Zoo naderde hij slechts langzaam het verlichte wachthuisje, dat ver weg, voorbij de laatste lantaren, het eindpunt der tramlijn markeerde. Hij slenterde maar wat langs het trottoir en speelde met zijn schaduw. Bij iedere lantaren, in het volle licht, kromp zijn schaduw ineen tot niets, maar zoodra hij buiten den lichtkring trad binnen het duister, dat toenam tot de volgende lantaren, gleed zijn eigen ongrijpbare schim om zijn voeten heen en liep hem vooruit als een speelsch dier.
De jonge man speelde een spel met zijn schaduw omdat hij geen ander gezelschap had. Zijn schoolkennissen had hij achtergelaten na het eindexamen van de H.B.S. toen was besloten dat hij rechten zou studeeren en dus eerst Staatsexamen moest doen. Nu had hij daarvoor een jaar lang thuis gewerkt, al dien tijd alleen zitten werken in zijn kamer en nu was hij dan eindelijk ingeschreven als eerstejaars, maar eerst moest hij nog door den groentijd heen. Aan den groentijd dacht hij met een lichten afkeer, omdat hem dan allerlei gezelschap zou worden opgedrongen, maar toch lokte het hem ook wel aan om weer eens tusschen andere lui te zijn. Zijn vader en moeder waren er natuurlijk nog wel, maar zijn vader was •—- eigenlijk — slecht gezelschap en zijn moeder was de liefste dame die hij kende maar men kon haar geen gezelschap noemen.
77