willen. En u wilt niets. Ik hoor een hoop mooie woorden: Individualiteit ■—- Vrijheid der Persoonlijkheid,
*— en vooral: Innerlijk Gezag, .—- Innerlijk Gezag, — ik heb het waarachtig onthouden ook, ■—- maar ik begrijp er niets van. Wat heeft dat allemaal met de inrichting van den staat te maken? Wat wilt u eigenlijk, wat moet ik nu weten om te onthouden? Ik leer van u alleen dat eigenlijk ons boek niet deugt, •—- en daarin heb ik dan gisteravond een uur zitten studeeren. Daarom maak ik maar liever mijn algebrasommen dan weet ik waar ik aan toe ben.”
De klas zuchtte tevreden. Eindelijk had een van hen gezegd wat te zeggen viel, en had het goed gezegd, met stelligheid. Het was zooals de Laer het formuleerde: Het Konijn wist niet wat het wilde en daarom kon niemand hem begrijpen. De klas zweeg, opgelucht, alsof ze allen tezamen het Konijn knock-out hadden geslagen.
De leeraar leunde achterover in zijn stoel. De klas wachtte in stilte.
Toen zag de leeraar, dat de klas iets verwachtte, een antwoord of een straf. Maar hij had nog niets voor haar klaar, geen antwoord en geen straf, omdat ook hij het gevoel had, dat hij ergens lag buiten bewustzijn.
Er doken woorden in hem op: „Erkennen das Nicht-Erkennen ist das Höchste.” -— Was dat het antwoord? Neen, dat was Lao-Tse, maar hoe kwam die hier op school?
In de klas rees een gemurmel dat aanzwol, toen gingen zijn oogen weer zien. Er werd gewacht op een antwoord of een straf, en hij zocht naar een antwoord, maar de hoofdpijn spande om zijn hersens, dus greep hij de straf.
75