„U bent toch lid van de firma Hugh Vanderpas, nietwaar? Waarom verkiest u het Parlement boven Wall-street, — Mr. Harton?"
Alfred Josiah's voet tikte op den marmeren vloer. De welwillendheid, waarmee zijn hoofd zich tot den reporter had geneigd, verstijfde tot het geforceerde geduld, waarmee men luistert naar een lastig kind.
„Een kort interview moet niet te lang worden, dunkt me. Ik kan u alleen zeggen, dat ik nooit actief lid van de firma ben geweest, ik ben alleen financieel geïnteresseerd bij Vanderpas. De plaats van mijn grootvader had ik in geen geval willen innemen, *—- daar zouden mijn opvattingen mij wel al te zeer hebben
„gehandicapt/' hielp de reporter.
„En ook uw moreele tegenzin," zeide de Deken, „de tegenwoordige grootfinanciers kennen geen scrupules/'
„Ja, dat zijn de mannetjesputters van dezen tijd,” knikte de journalist en taxeerde Alfred Josiah's wijkende profiellijn.
Een lakei bood likeuren. De kleine man stak zijn hand uit, die weifelde tusschen de glazen, toen vond hij de chartreuse waarnaar hij zocht.
„De wijnkelder is hier niet slecht voor een monument uit den steentijd.”
En hij lachte.
Een rilling voer over de starre gestalte van den Earl. Dit was de lach. Zoo lachte men dus als men zijn tijd kende, als men stond midden in den tijd, —-- als men leefde van den tijd, zooals deze man.
Alfred Josiah's beschaafde heerenlach accompagneerde
42