bruine oogen kijken bescheiden, hoewel toegenegen. Hij zegt niets omdat hij zoo slecht Duitsch spreekt, maar hij offreert zijn rechterarm; hij heeft al zoo lang achter de zilveren hakjes geloopen dat hij weet hoe het meisje haar arm op de zijne zal leggen.
Het Chineesje draagt natuurlijk goede Europeesche kleeren, zijn haar is heel gewoon gescheiden en zijn kapper heeft hem een aangename lotion verkocht, Hij is stil en vraagt niets waarop geantwoord moet worden, zeker kan men aan zijn arm naast hem gaan en in zichzelf blijven kijken. Franz heeft een bruine moedervlek op zijn linkerschouder, als ze daarover strijkt, lacht hij, de vlek is echt.
Het Chineesje legt zijn arm om het zachte satijn over de smalle heupen van het meisje en zingt met zijn zacht tenorgeluidje: neem mij mee naar je huis, neem mij mee. Ze moet er werkelijk nog even om lachen, het is bijna twaalf uur en natuurlijk moet ze naar een huis, een huis dat er niet is, maar ze kan het gele Chineesje toch niets van dat alles zeggen, ze kan toch niet alles zeggen, alles, alles, alles zeggen, dat gaat niet. Ze kan heelemaal niets zeggen, natuurlijk.
En omdat ze den arm van het Chineesje niet loslaat maar ook niets tegen hem zeggen kan, vleit zijn hooge keelstem verder: ga dan met mij mee naar huis, ik woon hier dichtbij. Ja, het Chineesje weet met vrouwen om te gaan, de lijfeigene Lotosknop werd al door zijn vader tot hem gezonden toen hij zeventien was. Maar met Europeesche vrouwen is de omgang zeer moeilijk, zij zijn groot en zwaar en spreken ook als hij niets vraagt, dit meisje echter is stil, klein en smal.
160