het is een weldaad en ze voelt zich zuchten. Het hondje blijft buiten de schaduw voor haar voeten maar ze tilt hem op en drukt hem onder haar arm.
Dan staat opeens onder aan het bordes de kleine jongeman die er straks ook al was, en vraagt in een vreemd, zangerig dialect: „Kan ik den Hausmeister voor u wekken?” en dan weet ze ook dat ze nu verder moet loopen.
Het Chineesje heeft echter zoojuist begrepen, dat hij niet achter zijn eigen droomen aanslentert maar achter een zeer reëel en dwingend verlangen. Nu heeft hij het meisje in het gezicht gezien, het is fijn, wel wat mager, maar smaakvol geschminkt. Het is de eerste maal sinds hij in Europa is, dat het Chineesje een vrouw ontmoet waarnaast hij zich niet als te klein ervaart.
Louise loopt alweer. Zij heeft nog voeten die bewegen, ze kan nog een heelen tijd loopen zonder te vallen. En vallen is het laatste, het hoeft nog niet, ze gaat immers nooit voor twaalf uur naar bed, het bed is het allerlaatste van den dag, men valt daarin neer en slaapt. Vallen en slapen, dat hoeft nog niet, het is nog geen twaalf uur.
Ze heeft het Pekinees je weer neergezet, het is heel moe en jankt. Het zou best honger kunnen hebben, natuurlijk, maar honger is niet erg, dat gaat over en komt pas terug na een paar uur. Maar een bed moet men hebben, geen mensch kan altijd rechtop blijven.
Nu is ze gestruikeld over een stoeprand en nu is het heel moeilijk om rechtop te blijven zonder te huilen. Omdat ze stilstaat, is het Chineesje dichtbij gekomen, het draagt zijn meest ingetogen glimlach en ook zijn
159