in het voorbijgaan kijken naar de krantenstalletjes, om de avondbladen te zien. En dan staat ze toch stil en even zou ze misschien kunnen gaan schreien maar dat is alweer voorbij: •—■ er staat niets op die voorpagina's, er staat alleen maar MINISTERIALKRISE met heel vette letters. Ach, het is niets, het is heelemaal niet iets, het staat zelfs niet in een klein hoekje van het laatste nieuws, dat van Franz, en toch blijft hij weg en er is niets over in de wereld, ook geen hoed en geen mantel om over deze glimmende japon heen te trekken en geen stoel en geen bed, — heelemaal niets is er •—-vreemd is dat.
Om negen uur spreiden de lantaarns al hun geelachtig licht over de wandelpaden langs den Ring hoewel de lucht boven de boomkruinen nog een wijd opalen schijnsel is. Louise loopt al een half uur lang op het voetpad, ze loopt alleen nog maar, zonder te tellen, ook zijn er de tramhuisjes waarin ze stil kan staan en leunen. Als ze voor de tweede maal langs het kunstmatig-groene hegje van het Schweizer Kaffeehaus is gegaan, ziet haar het kleine Chineesje dat zijn Kaffee Obers tot den droesem heeft uitgedronken, de avondbladen, voor zoover zijn Duitsch reikte, heeft gelezen en nu niet langer kan aanzien hoe de kellner gedurig de beide glazen koud W^eensch leidingwater komt vervangen door beslagen glazen met nog kouder water. Hij ziet het meisje na en weet natuurlijk niet, dat het zelfs voor Weenen wat oneigenlijk is als een vrouw des avonds alleen langs den Ring loopt in een lichte lange avondjapon met een Pekineesje achter haar zilveren voetjes, daarvoor is hij ook te kort in Weenen. Hij ziet alleen
156