eigenlijk niet zijn en die ze ook niet denkt maar die in een leege ruimte staan achter haar oogen. Intusschen weet een kleine pijnlijke plek in haar hart toch heel goed dat ze vanavond om twaalf uur niet naar bed zal kunnen gaan.
Om zes uur trekken groepjes werklui door het park, die natuurlijk moeten kijken naar een meisje in een licht-satijnen japon, dat op een gewone kostelooze bank zit met een bruin hondje onder haar arm. Ze roepen en kijken nog eens om, dus moet ze maar opstaan. Als het Pensionnat een wandeling deed, riepen de zusters: „Vóór je zien, meisjes”. Nog maar een paar uur, dan beginnen de theaters en dan kan men wel langs den Ring wandelen in den warmen avond, zoomaar in een avondjapon zonder avondmantel, heel gewoon, de mantel kan best ergens liggen in een garderobe. Twee uren nog, maar nu is het de lichte namiddag, hoe slijten twee uren weg als iedere minuut langzamer gaat?
De Belvederegarten kent nu langs ieder pad het kleine smalle rosblonde meisje in haar lange groensatijnen japon, met een kleinen Pekinees achter zilveren hakjes. De steeds wisselende moeders op de stoeltjes, de stoelenverhuursters, de meisjes met de Semmeln. Een oude heer die de duiven staat te voeren, verwondert zich ten slotte toch nog als hij haar eindelijk door het parkhek ziet gaan en verdwijnen in de richting van de Karlskirche.
Aan den zijgevel van de Karlskirche staat een krantenvrouw, de avondbladen zijn al uit. „Ik sta niet stil” denkt Louise, zij weet het nieuws wel: Inval in een speelhuis, •— het is Franz en het staat in de krant natuurlijk, -— en nu ze dit weer goed weet, kan ze wel
155