dat het rossig cafélicht warm verschiet langs zeegroen satijn en dat de opalen avondhemel paarlmoeren glanzen legt om een roodblonde haargolf. Hij is zeer eenzaam en zeer gevoelig voor al wat zijn oog in Europa rust doet vinden. Hij studeert hersenanatomie, maar heeft zoo juist de Westersche psychologie ontdekt in de stad van Freud.
Als Louise om tien uur voor de vierde maal langs het Schweizer Kaffeehaus gaat, schuift het stille Chineesje het blaadje met de glazen en het Trinkgeld van zich af en verdwijnt als een schaduw langs de heester-tjes-in-kuipen. Het is beter achter een smalle levende meisjesrug aan te gaan dan te blijven bladeren in geïllustreerde tijdschriften, die zulke onaangename foto's vertoonen van zwaargebouwde westersche vrouwen, breede sportvrouwen die achter een balletje aanrennen, gespierde vrouwen die een roeiriem hanteeren, Het Chineesje volgt tien passen achter zijn kleinen landsman den Pekinees, het spoor van de twee zilveren voetjes en hem deert het niet dat ze nu en dan vreemd wankelen, hij kent in zijn land nog de kleine gebonden voetjes waarop vrouwen slechts kunnen gaan als ze steunen op den arm van den man of een dienares.
Zoo loopt hij dus en glimlacht zijn stillen zachten Chineezenglimlach achter het lichtsatijnen kleed waaronder een paar smalronde meisjesheupen langzaam bewegen als in een droom. Vaag denkend, vaag droo-mend schuifelt hij langs het asfaltpad waarboven de geelbeschenen boomtakken een onwezenlijk dak spannen, een vreemde goudgroene theatercoulisse, en het is hem zeer voldoende op een afstand van tien passen
157