keren blik van iemand, die verwacht van anderen te weten te komen wat hij zelf heeft te doen. Natuurlijk zei hij evenmin een woord, zelfs niet op ’t kerkhof, waar hij toch eigenlijk den meester had dienen te bedanken, omdat die de klas had laten zingen en ook zelf gesproken had. Op den avond van de begrafenis, toen hij zijn donkerblauw kamgaren pak in de kast hing en zijn werkkleeren weer voor den dag haalde, had hij nog geen traan gelaten en ook op 't fabriek de volgende dagen, toen iedereen hem wat zeggen wilde over het beroerde geval, keek hij langs de kameraads heen met hetzelfde strakke gezicht. Alleen kwam langzaam-aan een vage verwondering in zijn oogen als telkens een ander weer erover begon, wanneer opnieuw iemand had gezegd: „je zult haar wel erg missen”.
Tot den Zondagmorgen.
Hij had zijn beste blauwe pak aan en zijn grijze deukhoed op, zooals altijd. Hij wreef met zijn hand over zijn kin en voelde dat hij geschoren was. Hij stond in de kamerdeur en zag de vrouw, die met een schoonen kop-jesdoek de porseleinen kopjes uitwreef, ook als altijd, want zij was een flinke vrouw, die haar verdriet de baas wist te blijven. Toen maakte hij een lamme beweging met zijn linkerhand, een mislukten greep naar iets dat er niet was, wankelde even op den drempel en sloot toen met de rechterhand de deur achter zich alsof hij ging slaapwandelen, alsof hij voor het eerst in een nieuwe wereld een deur achter zich dichtmaakte.
Toen hij dien middag werd thuisgebracht ....
Neen, hij schoot zich niet voor 't hoofd. Hij was een
143