De menschen langs den weg niet en de kameraden op de fabriek niet, en het minst van allen de vrouw, die thuis bedden opmaakte en de ontbijtboel waschte en de zondagsche osselapjes stoofde en haar aardappelen schilde alsof het een weeksche dag was.
De Zondag duurde voor hen ook niet langer dan tot één uur 's middags. Als de man en het kind thuis kwamen in de glanzend opgepoetste zondagsche woning, was hun Zondag voorbij. Dan merkten ze weer dat men voeten heeft om ze op de mat af te vegen en niet om er slentergangetjes mee te maken, waarbij men nu en dan stil staat om elkaar eens aan te zien.
Toen nu het dochtertje werd overreden door die vrachtauto ....
Ja, daarover hoef ik verder niets te vertellen. Het gaat hier om den man en niet om het kindje. Dat werd begraven, derde klas, maar toch met een eigen zerkje en bloemen van de schoolkameraadjes. De vrouw was er natuurlijk kapot van. Als ze naar het witte ledikant je keek, dat ze juist met de schoonmaak had gekocht en nu nergens meer voor diende, liepen haar oogen vol tranen. Met zulke natte, blinde oogen stopte ze ook de kousjes die nog in de stopmand lagen en die ze toch niet onversteld in de kast kon bergen. En toen ze voor de deur haar matjes klopte, die de lijkdragers vol zand hadden geloopen, draaide ze zich weg van de buurvrouwen, omdat die haar gezicht niet hoefden te zien.
Maar de man had geen tranen. Hij kon zich ook niet herinneren gehuild te hebben sinds het laatste pak slaag dat zijn vader hem had gegeven en hij keek naar de menschen die op rouwbezoek kwamen met den onze-
142