bovenop zijn maag, dat tem niet hinderde, omdat het 't dochtertje was. Of misschien zou hij breed hebben gegrijnsd, omdat hij zichzelf heerlijk blootsvoets voelde stappen door aanloopende golfjes koel zeewater, met de blijdschap van een klein handje in zijn hand en het jolig genot van plenzende kinderbeentjes in zijn ooren.
En misschien zou hij alleen maar aandachtig voor zich uit hebben gekeken naar een peddelende eend met een sleepje gele donzige jongen, zooals ze in het voorjaar te zien zijn in eiken parkvijver. Of naar den vadzigen olifant in den dierentuin, of naar de poppenkast met den aap. Maar zeker zou hij een Zondagsche straat hebben gezien, zoo'n lange rechte streep zon, met een beetje stof dat in de oogen waait en winkels die te lui zijn om hun deuren open te maken. Zoo'n straat die plotseling ophoudt bij 'n grachthoek, waar men stilstaat, omdat het koel is onder de iepen. En hij zou u hebben aangezien met oogen, die u niet meer zagen, omdat ze opeens vol waren van wat daar in die koelte zichtbaar werd: een kindje in een wit gesteven jurkje, het mooiste en heerlijkste bezit van de wereld, een wonderbare gave van het leven aan iemand, die eigenlijk zoo iets niet verdient.
Ja. De Zondagochtenden. De leege stille straten, het park met de musschen en de nog onbezette banken, of een witbesneeuwd kerkplein waarop nog geen voetspoor ligt, of het grappige tikken van een regenbui op een gespannen paraplu, dat alles was het dochtertje, evengoed als haar stemmetje of haar klein warm lijfje. De Zondagochtenden waren van haar en hem alleen, niemand in de wereld had er verder iets mee te maken.
141