de noodzaak van zijn aanwezigheid op dit onder-maansche inziet, —- die heeft wel een paar minuten noodig om op den rand van zijn ledikant te zitten wakker worden.
En dus dien ik u nu te zeggen, hoe deze man diep in zijn hart nog een zonnig plekje levenslust had behouden, een kleine, blijde en vredige plek als een dorpspleintje op Zondagmorgen. Zoo'n kleine, lichte, altijd aanwezige vreugde, die hij eigenlijk niet eens een naam wist te geven, maar die wel eens een enkele maal omhoog steeg naar zijn lippen in een fluitdeuntje dat de kameraads deed opkijken.
Dat was het dochtertje.
Nu moet u weten, dat het dochtertje eigenlijk een heel gewoon kindje was, zooals er vijfendertig in een schoolklas gaan. Het had steile witblonde haartjes, een beetje sprieterig, omdat ze werden geknipt door de moeder die den kapper zijn kwartje niet gunde. Het had een lief rond mondje, maar helaas al wrakke tandjes, een sproetig neusje en te magere wangetjes. Ook had het een hoog stemmetje, en vlugge, nieuwsgierige, grijze oogen, waarmee het toch heel lief naar vader kon kijken, zóó lief, dat deze nog nooit had ontdekt wat iedereen kon zien: dat zijn meisje een heel klein beetje loenschte.
Als de vader zijn dochtertje had moeten beschrijven, zou hij geen woorden hebben gevonden. Hij zou hebben geglimlacht omdat hij in plaats daarvan een klein drukje voelde in zijn hand, of een zacht wangetje tegen zijn baardstoppels, of omdat hij het laatste trillertje hoorde van Lief-Lijsje, of zich opeens voelde liggen op de canapé met iets zwaars, maar beweeglijks en vroolijks
140